De Berner Sennenhond

Een wollige goedzak

Karakter

Een vriendelijke waakhond
De Berner Sennenhond is vriendelijk en overwegend rustig en heeft een evenwichtige en zekere uitstraling. Zelden vertoont een Berner Sennenhond nerveus of prikkelbaar gedrag, want dat zijn karaktertrekjes die gewoonweg niet bij hem passen. Gezien hun vroegere taak als waakhond zijn veel honden nu nog steeds waaks en beschermend, maar vooral onder de teven vinden we ook honden die het met iedereen goed kunnen vinden. De Berner Sennenhond is niet het type waakhond dat druk en opgewonden blaffend achter het tuinhek iedere toevallige passant de stuipen op het lijf jaagt. In principe zijn zij vriendelijk tegen mens en dier, maar zij zullen er desondanks zijn als de nood aan de man is. Nieuwsgierig en waakzaam besnuffelen zij iedere bezoeker en blijven hem in de gaten houden. Gedraagt de bezoeker zich in de ogen van de hond normaal en reageren ook de baas en de rest van het gezin goed op deze persoon, dan bejegent de Berner Sennenhond hem eveneens vriendelijk. Tijdens de afwezigheid van de huisgenoten echter neemt deze hond zijn taak als waakhond doorgaans wel uiterst serieus.

Sociale eigenschappen
De Berner Sennenhond heeft veel positieve eigenschappen. Een ervan is dat zij het gewoonlijk goed kunnen vinden met soortgenoten en andere huisdieren. De Berner Sennenhond mist het jachtinstinct dat sommige hondenrassen wel eens drijft tot het plagen en najagen van andere (huis-)dieren. Dit houdt overigens niet in dat een volwassen Berner Sennenhond die nooit in aanraking is geweest met andere dieren, er zonder meer positief op zal reageren; iedere hond hoort in zijn vroege jeugd goed gesocialiseerd te worden en daarop vormt de Berner Sennenhond geen uitzondering. Soortgenoten worden over het algemeen vriendelijk bejegend. Toch zijn er ook wel honden bekend, voornamelijk de dominantere reuen, die wel eens onverdraagzaam kunnen zijn tegen andere reuen op straat, of die geen enkele andere reu op hun erf of in hun huis accepteren. Veelal is dit terug te voeren op een gebrekkige socialisatie en opvoeding, maar niet altijd.

De Berner Sennenhond en kinderen
Een typische karaktereigenschap van de Berner Sennenhond is zijn drang 'zijn' gezin bij elkaar te houden. Deze karaktereigenschap komt vooral naar boven wanneer het hele gezin een dagje uit is en een van de kinderen te ver van de rest weg loopt. Veel Sennenhonden worden dan zenuwachtig en lopen het kind na om het te bewegen terug te gaan naar de anderen. Over het algemeen kan dus gezegd worden dat Berner Sennenhonden het uitstekend met kinderen kunnen vinden, maar een voorwaarde hiervoor is natuurlijk wel dat de honden er al op jonge leeftijd aan gewend moeten zijn om met kinderen om te gaan.

Een gevoelige hond
Berner Sennenhonden zijn ondanks hun imposante en stoere buitenkant heel gevoelig. Zij hebben veel contact met hun baas en de gezinsleden nodig om gelukkig te zijn. Ook zijn Berners gevoelig voor stemmingen in huis en voelen zij de gemoedstoestand van hun baas feilloos aan. Berners kunnen er maar slecht tegen om afgezonderd van het gezin in een buitenkennel hun dagen te slijten, ook al zijn ze in het gezelschap van andere honden. Berner Sennenhonden zijn gezinshonden bij uitstek; zij horen in huis tussen de gezinsleden te leven en behoren betrokken te worden bij de normale dagelijkse bezigheden.
Een Berner Sennenhond moet altijd rustig en eerlijk behandeld worden. Schreeuwerige en zenuwachtige gezinsleden met losse handen vormen voor geen enkele hond prettig gezelschap, maar voor het karakter van de Berner Sennenhond kan een leven met dergelijke mensen funest zijn.

Geef hem de ruimte
De Berner Sennenhond is een behoorlijk grote hond die de ruimte moet hebben. Hij mag in geen geval worden opgesloten in een kleine kamer of kennel. Dit wil niet zeggen dat Berners niet in een kleine woning gehouden kunnen worden; wanneer zij voldoende beweging krijgen, is hier niets op tegen.
Ook op een etagewoning kan de Berner Sennenhond zich gelukkig voelen, mits er een lift aanwezig is, aangezien het slecht is om hem trappen te laten lopen. In het ideale geval kan de Berner Sennenhond zich vrij bewegen door het huis en kan hij naar believen een luchtje scheppen in een ruime tuin.
Berner Sennenhonden zijn graag buiten, maar zij zijn liever niet alleen. Zij vergezellen hun baas en diens huisgenoten graag op lange wandelingen in de natuur. Berners hebben erg weinig tot geen jachtinstinct en zullen in normale omstandigheden dan ook geen aanstalten maken om al te ver bij u vandaan te gaan om achter het wild aan te jagen. Aangezien zij daarnaast ook nog eens een sterk territoriumgevoel hebben, slaan zij ook niet snel aan het zwerven als u het tuinhek eens niet hebt gesloten. In vakjargon wordt dan ook wel gezegd dat deze honden 'erfvast' zijn.

Vermogen om te leren
Berner Sennenhonden zijn geen echte sporthonden, al zullen zij het erg leuk vinden als zij op een plezierige manier samen met u kunnen deelnemen aan gehoorzaamheidscursussen of behendigheid. Er zijn veel Berners die diverse diploma's op het gebied van gehoorzaamheid behaald hebben, maar op wedstrijdniveau worden zij doorgaans voorbijgestreefd door de meer wendbaarder en sneller reagerende herdershondenrassen. Dit houdt overigens niet in dat de Berner Sennenhond ongehoorzaam is, integendeel. Als hij een goede en consequente opvoeding krijgt die in alle rust en harmonie geschiedt, behoort de Berner Sennenhond tot de gehoorzaamste rassen. Zij zijn in de regel niet moeilijk te trainen en een goed opgevoede Berner Sennenhond zal probleemloos mee uit genomen kunnen worden. Of u nu gaat winkelen of op vakantie gaat, de hond is u niet snel tot last en past zich in zijn eigen tempo aan de situatie aan.

Rasstandaard
Standard FCI N°45 / 05.05.2003. NL – Vertaling J. Van Hummelen BERNER SENNENHOND Bouvier Bernois, Berner Sennenhund, Dürrbächler Herkomst: Zwitserland Publicatiedatum van de geldende standaard: 25 maart 2003 Gebruik: Oorspronkelijk waakhond, trekhond en begeleider van de kuddes op de boerderijen van het kanton Bern, vandaag de dag ook polyvalente gebruikshond en familiehond. FCI-classificatie:    Groep 2 (honden van het type Pinscher en Schnauzer, Molossers en berghonden en Zwitserse herders)                                  Sectie 3 (berghonden en Zwitserse herders) Zonder werkproef Kort historisch overzicht De Berner Sennenhond is een hond waarvan de voorouders in de Berner vooralpen en het platteland van het midden van het kanton Bern, gebruikt werden als waak- en trekhond en als begeleider van de kuddes. Van oorsprong noemde men hem "Dürrbächler" naar het gehucht en de herberg van Dürrbach dicht bij de Riggisberg, waar deze driekleurige langharige hond bijzonder verspreid was. Sinds 1902, 1904 en 1907, werden vertegenwoordigers van dit ras voorgesteld op hondententoonstellingen. In 1907 beslisten enkele fokkers uit de streek van Berthoud (Burgdorf) om de raszuivere fok te bevorderen van deze autochtone bouvier door het stichten van de "Club Suisse du Dürrbachler" en door het vastleggen van de karakteristieke trekken van het ras in een eerste standaard. In 1910, in Berthoud, bij gelegenheid van een hondententoonstelling, slaagden de landbouwers uit de streek er reeds in om 107 vertegenwoordigers voor te stellen. Sindsdien, verspreide zich deze hond, herdoopt tot "Bouvier Bernois", naar het voorbeeld van de andere Zwitserse bouvier rassen, zeer snel in gans Zwitserland en Zuid Duitsland. Vandaag de dag is de Berner Sennenhond gekend en gewaardeerd in gans de wereld dank zij zijn driekleurige vacht en de mooi verdeelde aftekeningen, aan zijn aanpassingsvermogen en zijn kwaliteiten van familiehond. Algemeen beeld Langharige gebruikshond, driekleurig, robuust, soepel, harmonisch, evenwichtig, met krachtige ledematen en waarvan de hoogte groter is dan de middelmaat. Belangrijke verhouding
  • Verhouding schofthoogte/ lichaamslengte = 9 / 10eerder gedrongen dan lang.
  • Ideaal: verhouding schofthoogte/ borstdiepte = 2/1.
Gedrag en karakter Goed evenwichtig, aandachtig, oplettend en zonder angst in de dagelijkse levensomstandigheden, hij is van goede natuur en trouw tegenover huisgenoten, zelfzeker en vreedzaam tegenover vreemden, van gemiddeld karakter en gehoorzaam. Hoofd Krachtig; het volume is in harmonie met het geheel; niet te zwaar. Schedelgedeelte Schedel: in voor- en zijaanzicht licht gewelfd. De voorhoofdsgroeve is slechts zwak aangeduid. Stop: goed aangegeven zonder te erg geprononceerd te zijn. Aangezichtsdeel Neuszwam:       zwart Snuit:                 krachtig, rechte neusrug, middelmatig lang Lippen:              weinig ontwikkeld, goed gesloten, zwart Kaken/tanden:  volledig, krachtig schaargebit. De M3 niet beschouwd. Tanggebit toegestaan. Ogen:                donkerbruin, amandelvormig met goed aansluitende oogleden. Niet te diep gelegen of uitpuilend. Te slappe oogleden zijn een fout. Hals           Krachtig, gespierd, middellang Lichaam Bovenlijn:   Vanaf de hals zacht afdalend en harmonieus overgaand in de schoft; vervolgens recht en horizontaal. Rug:           vast, recht en horizontaal. Lendenen:  breed en krachtig, in bovenaanzicht een weinig smaller dan de borst. Kruis:         licht afgerond. Borst:         breed en diep, tot de elleboog reikend, met duidelijke voorborst. De ribbenkast is zo lang mogelijk en van breed ovale doorsnede. Onderlijn:   vanaf de ribbenkast licht oplopend naar de achterbenen. Staart         Dicht behaard, reikt tot spronggewricht, in rust hangend, in beweging zwevend op rughoogte of licht erboven gedragen. Ledematenmet stevig bot Voorste ledematen: In vooraanzicht recht en evenwijdig, in stand eerder breed. Schouder:              schouderbladen lang, krachtig, schuin geplaatst, met de bovenarm een niet te stompe hoek vormend. Aanliggend en goed gespierd. Opperarm:             lang, schuin Ellebogen:             goed bij lichaam aangesloten, niet in- of uitgedraaid. Onderarm:             stevig, recht Voormiddenvoet:   in profiel nagenoeg verticaal, stevig; in vooraanzicht in het verticale verlengde van de         onderarm. Voorvoeten:           kort, rond, tenen gesloten en gewelfd, niet in- of uitgedraaid. Achterste ledematen: in achteraanzicht recht en parallel, niet te eng. Bovenbeen:            lang, breed, krachtig en gespierd. Knie:                      goed gehoekt. Onderbeen:            lang, goed schuin geplaatst Sprong:                  goed gehoekt, krachtig Achtermiddenvoet: bijna verticaal. Wolfsklauwen dienen verwijderd te worden, behalve in de landen waar dit verboden is door de wet. Achtervoeten:         iets minder gewelfd dan de voorvoeten; niet in- of uitgedraaid. Gangenwerk / Beweging: Ruimgrijpende, vloeiende en gelijkmatige bewegingsontwikkeling in alle gangen; vrije tred en ruim uitgrijpend met een goede stuwing uit de achterhand; in draf, in voor- of achteraanzicht, een rechtlijnige voortbeweging van de ledematen. Vacht Beharinglang en glanzend, sluik of licht gegolfd. Kleur: diepzwarte grondkleur, met donkere bruinrode brand aan de wangen, boven de ogen, op de vier benen en aan de borst, met witte aftekening als volgt:
  • zuiver witte, symmetrische aftekening aan hoofd: een bles die zich naar de neus toe aan beide zijden tot een vangtekening verbreed.
  • De bles mag niet tot tegen de tannenvlek boven de ogen komen, en de vangtekening mag niet voorbij de mondhoeken reiken.
  • Ononderbroken witte, matig brede keel- en borstaftekening
Gewenst:
  • witte voeten
  • - witte staartpunt
Getolereerd: - kleine witte nekvlek - kleine witte vlek onder de staart Grootte: Schofthoogte:   reuen 64 - 70 cm, ideaal 66 - 68 cm teven 58 - 66 cm, ideaal 60 - 63 cm Fouten: Iedere afwijking van voorgaande punten moet beschouwd worden als een fout en bestraft in verhouding tot de graad der afwijking zoals:
  • onzeker gedrag
  • fijn bot
  • onregelmatige inplanting van de snijtanden, met een correcte sluiting
  • ontbreken van andere tanden dan hoogstens 2 x Pl; de M3 buiten beschouwing gelaten.
  • Vacht:
  • Uitgesproken krulhaar
  • Aftekening en kleurfouten:
    • ontbreken witte hoofdtekening
    • te brede bles en/of witte vangtekening voorbij mondhoek
    • witte halsband
    • grote witte nekvlek (grootste afmeting meer dan 6 cm)
    • witte vlek onder de staart (grootste afmeting meer dan 6 cm)
    • witte laars die verder reikt dan voormiddenvoet
    • onsierlijke asymmetrische aftekening van hoofd of borsttekening
    • zwarte vlekken of strepen in het borstwit
    • onzuiver wit (sterke pigmentvlekken)
    • een bruine of rode schijn in de zwarte grondkleur
  • Overmatig angstige of agressieve honden.
  • Honden, de duidelijke lichamelijke afwijkingen of gedragsstoornissen vertonen, moeten gediskwalificeerd worden.
  • Gespleten neus.
  • Onder en boven voorbijten; scheef gebit.
  • Een of twee blauwe ogen (glasoog).
  • Entropion, ectropion.
  • Knikstaart, ringstaart.
  • Kort en stokhaar.
  • Ontbreken van de drie kleuren.
  • Andere kleur dan zwarte mantel.
NB.:
  • Reuen moeten twee normaal ontwikkelde teelballen hebben die volledig zijn ingedaald in het scrotum.
  • Voor de fok zullen uitsluitend functionele en klinisch gezonde, typische rashonden worden gebruikt.
 
Ziektes