De Grote Zwitserse Sennenhond

Een beheerste verdediger

Karakter

Intelligent, kalm en evenwichtig van aard
vriendelijk en goedaardig
waken uitstekend
verdedigen hun eigen baas
waakt en beschermt van nature uit
hechten zich sterk aan eigen mensen
werken graag en zijn vrij gehoorzaam
blaft alleen indien nodig
niet geschikt voor het leven in een kennel
ONSTUIMIGE JEUGD, die vrij lang kan duren

Kunnen goed overweg met huiskatten en andere huisdieren = socialisatie is wel nodig
Kunnen doorgaans goed met andere honden overweg
Gaan uitstekend om met kinderen, MAAR let goed op wanneer er vriendjes komen spelen want deze hond heeft de neiging om het voor uw kinderen op te nemen
Een gewenste visite wordt vriendelijk onthaald

Rasstandaard
FCI- standaard  Nr.  58 / 05.05.03 – NL      Vertaling: J. Van Hummelen GROTE ZWITSERSE SENNENHOND (Grosser Schweizer Sennenhund, Grand Bouvier Suisse) OORSPRONG: Zwitserland DATUM VAN PUBLICATIE VAN DE HUIDGE STANDAARD: 25.03.2003 GEBRUIK:   Oorspronkelijk waak- en trekhond, tegenwoordig ook gezelschaps-, gebruiks-, en familiehond. INDELING FCI:         Groep 2: Pinschers en Schnauzers, Molossers, Zwitserse Sennenhonden, en andere rassen. Sectie 3: Zwitserse Sennenhonden Zonder werkproeven KORT GESCHIEDKUNDIG OVERZICHT In 1908 werden er ter gelegenheid van de jubileumtentoonstelling in Langenthal ter ere van het 25-jarig bestaan van de SKG (Schweizerischen Kynologischen Gesellschaft), voor het eerst twee "kortharige Berner Sennenhonden" aan Prof. Albert Heim, de grote beschermer van de Zwitserse Sennenhonden voorgesteld. Hij herkende in deze twee honden de verloren gewaande Grote Sennen- of Slagershond, waarvan de voorouders vroeger wijd verspreid waren over heel Europa en die gebruikt werden als waakhond, trekhond of als veedrijver. Zij werden door de SKG als een apart ras erkend en als Grosser Schweizer Sennenhund of Grand Bouvier Suisse in deel 12 (1909) van het Zwitserse hondenstamboek ingeschreven. In 1912 werd de Klub für Grosse Schweizer Sennenhunde opgericht, met als hoofddoel de promotie van een raszuivere fok van dit ras. Pas op 5 februari 1939 werd de standaard voor het eerst door de FCI gepubliceerd. Tegenwoordig wordt dit ras ook in andere Europese landen gefokt en omwille van hun rustige en evenwichtige karakter worden ze vooral als familiehond gewaardeerd. ALGEMEEN BEELD: De Grote Zwitser is een driekleurige hond, robuust, voorzien van stevig bot en met een sterke spierontwikkeling. Ondanks zijn grootte en gewicht is hij beweeglijk en beschikt hij over een groot uithoudingsvermogenDe geslachtsgebonden kenmerken van reu en teef zijn duidelijk. BELANGRIJKE LICHAAMSVERHOUDINGEN: Romplengte/Schofthoogte     =         10/9 (romplengte gemeten vanaf de schouder tot aan het zitbeen) Borstdiepte/Schofthoogte =   1/2 Lengte van de bovenschedel/Lengte van de snuit     =          1/1 Breedte van de schedel/Breedte van de snuit    =     2/1 KARAKTER EN GEDRAG: Betrouwbaar, opmerkzaam, waakzaam en onbevreesd in dagelijkse situaties. Goedmoedig en aanhankelijk t.o.v. vertrouwde personen; zelfverzekerd tegenover vreemden, met een gemiddeld temperament. HOOFD: Krachtig, en in verhouding tot het lichaam, maar niet zwaar. Het hoofd van een reu is duidelijk massiever dan dat van een teef. Schedelgedeelte: Schedel: Vlak en breed. De middengroeve begint bij de aanzet van het voorhoofd en loopt naar boven toe geleidelijk uit. Stop: Weinig uitgesproken Aangezichtsdeel: Neusspiegel: zwart Snuit: Krachtig, langer dan hoog. Mag noch van boven noch van opzij een spitse indruk geven, neusrug recht zonder middengroef. Lippen: goed aansluitend en weinig ontwikkeld. De kleur is zwart. Geen hanglippen Kaak/Tanden: Krachtige kaken. Een volledig, krachtig en regelmatig schaargebit. Het ontbreken van 2 tanden (premolaren 1 en/of premolaren 2) is toegestaan. De M3 blijven buiten beschouwing (molaren 3). Ogen: Amandelvormig, middelgroot, noch diepliggend, noch uitpuilend. De kleur is hazelnoot tot kastanjebruin. Een opgewekte, vriendelijke uitdrukking. De oogleden goed aangesloten en donker van kleur. Oren: Middelgroot, driehoekig en vrij hoog aangezet. In rust vlak tegen het hoofd liggend. Bij aandacht naar voor gericht. Vanbinnen en buiten goed behaard. HALS: Krachtig, goed gespierd, eerder gedrongen en zonder losse keelhuid. ROMP: Iets langer dan de schofthoogte Rug: Matig lang, krachtig en recht. Lendenen: Breed en sterk gespierd. Kruis: Lang en breed en in een lichte mooie ronding naar beneden aflopend. Niet hoger oplopend en niet afgeplat Borst: Krachtig en breed, tot op gelijke hoogte komend met de ellebogen. De ribbenkast is in dwarsdoorsnede ovaalrond en ze mag noch plat noch tonvormig zijn. De voorborst is sterk ontwikkeld Onderlijn en Buik: Buik en flanken zijn weinig opgetrokken. STAART: In een harmonische voortzetting van het kruis aangezet, vrij zwaar, reikend tot aan het spronggewricht. In rust hangt hij af, bij opwinding of wanneer de hond in beweging is, wordt hij hoger en licht naar boven gebogen gedragen, maar nooit over de rug reikend of gekruld. LEDEMATEN VOORHAND: Van voren gezien loodrecht en parallel. In stand eerder breed. Schouders: Het schouderblad is lang en krachtig, schuin geplaatst en goed aanliggend tegen de romp. De schouder is sterk gespierd en met de bovenarm wordt een niet te stompe hoek gevormd. Onderarm: Krachtig bot en recht. Middelvoet: Stevig, van voren gezien een rechte voortzetting van de onderarm, van opzij gezien iets schuin naar voren geplaatst. ACHTERHAND: Stand van achteren gezien recht en niet te eng. De middelvoet en de achterpoten staan noch binnen-, noch buitenwaarts gedraaid. Hubertusklauwen moeten verwijderd wordenbehalve in landen waar dat bij wet verboden is Bovenbeen: Tamelijk lang. De dijen zijn breed, krachtig en sterk gespierd. Kniegewricht: Duidelijk een stompe hoek vormend. Onderbeen: redelijk lang. Spronggewricht: Krachtig en goed gehoekt. Voeten: Krachtig en evenwijdig met de mediaanlijn van het lichaam, met goed aangesloten tenen, met een uitgesproken welving en sterke nagels. GANGWERK: Ruime en gelijkmatige beweging in alle gangen. Uitgrijpend en vrije beweging van de voorhand met een goede stuwing vanuit de achterhand. In draf, zowel van voren als van opzij gezien een rechtlijnige beweging van de ledematen, evenwijdig met de mediaanlijn van het lichaam. BEHARING: HAAR: Stokhaar met een dichte laag middellange dekharen en een nog dichtere laag onderwol met een liefst zo donkergrijs of zwart mogelijke kleur. Korte dekharen zijn toegelaten op voorwaarde dat de onderwol aanwezig is. KLEUR: Typisch driekleurenpatroon: De hoofdkleur is zwart met symmetrische bruinrode brand en witte aftekeningen. Het bruinrood bevindt zich tussen het zwart en de witte aftekeningen; op de wangen, boven de ogen, aan de binnenkant van de oren, aan weerszijden van de borst, aan de vier poten en aan de onderkant van de staart. De witte aftekeningen bevinden zich aan het hoofd (bles), de snuit, aan de keel en van daaruit doorlopend tot over de borst (zonder onderbreking), aan de voeten en aan de punt van de staart. Tussen de bles en de roodbruine aftekeningen boven de ogen (vieraügler) moet er een dunne zwarte band blijven. Een witte nekvlek of een witte halsring is toegelaten. GROOTTE: Schofthoogte reuen:   65 - 72 cm Schofthoogte teven:   60 - 68 cm FOUTEN: Iedere afwijking van de hiervoor genoemde punten moet als een fout beschouwd worden. De beoordeling van de fouten staat in verhouding tot de mate waarin van bovengenoemde punten wordt afgeweken.
  • onzeker karakter,
  • het ontbreken van tanden, uitgezonderd het ontbreken van maximaal 2 tanden PM1 en/of PM2. De M3 worden buiten beschouwing gelaten,
  • tanggebit,
  • lichte ogen, niet goed aangesloten oogleden,
  • beharing: door de bovenbeharing heen schijnende geelbruine of lichtgrijze onderwol. Onzuivere kleuren.
  • Fouten in de aftekening:
    • Afwezigheid van wit aan het hoofd
    • Te brede bles
    • Een witte tekening op de snuit die duidelijk verder dan de mondhoeken gaat.
    • Witte laars (witte stiefel); een witte aftekening die hoger gaat dan tot aan het middelvoetsgewricht.
    • Opvallend asymmetrische tekening
UITSLUITENDE FOUTEN:
  • ernstige karakterfouten (agressiviteit of angst)
  • honden die duidelijke fysische afwijkingen of karakterstoornissen vertonen, moeten gediskwalificeerd worden.
  • ondervoorbijten, bovenvoorbijten, kruisend gebit
  • entropion, ectropion
  • 1 of 2 blauwe ogen (glasoog)
  • kort dekhaar zonder onderwol
  • lang haar
  • geen driekleurenpatroon
  • een andere dan een zwarte hoofdkleur
N.B. : - Reuen moeten over twee duidelijk normaal ontwikkelde testikels beschikken, die zich volledig in het scrotum bevinden. - Voor de fok worden uitsluitend functionele en klinisch gezonde, typische rashonden gebruikt.
Ziektes