BKZS - Belgische Klub voor Zwitserse Sennenhonden

Erkende rasclub voor Appenzeller, Berner, Entlebucher en Grote Zwitserse Sennenhond - K.K.U.S.H. nr 720

×

Fout

Fout bij het laden van de menu's: You have an error in your SQL syntax; check the manual that corresponds to your MySQL server version for the right syntax to use near 'AND falang_content.published=1 AND falang_content.reference_id IN(101,219,108' at line 4

Rasstandaard Entlebucher

De Engelstalige, officiële versie van de rasstandaard vind je op de site van de FCI

De Nederlandse vertaling:

FCI –Standaard nr. 47        28.11.2001

ENTLEBUCHER SENNENHOND  (Entlebucher Sennenhund)

Oorsprong: Zwitserland

Gebruik:   Drijf-, herders-, huis- en erfhond. Tegenwoordig ook veelzijdige gebruikshond en aangename familiehond.

INDELING FCI:      Groep 2           Pinschers en Schnauzers, Molossers en Zwitserse Sennenhonden

                                                    Sectie 3           Zwitserse Berg- en Sennenhonden

                                                    Zonder werkproef.

KORT GESCHIEDKUNDIG OVERZICHT: De “Entlebucher” is de kleinste van de 4 Zwitserse Sennenhonden. Hij komt uit Entlebuch, dat is een dal in de kantons Luzern en Bern. De eerste beschrijving onder de naam “Entlibucherhund” dateert uit 1889. Maar nog gedurende geruime tijd daarna wordt er geen onderscheid gemaakt tussen de Appenzeller en de Entlebucher.

In 1913 op de hondententoonstelling in Langenthal worden 4 exemplaren van deze kleine drijfhond met korte staart aan Prof. Albert Heim, de grote beschermer van de Zwitserse Sennenhondenrassen, voorgesteld. Op basis van het keurverslag worden zij als vierde Sennenhondenras in het Schweizerische Hundenstammbuch (SHSB of LOS) opgenomen. De eerste standaard werd pas in 1927 opgesteld. Op 28 augustus 1926 wordt op initiatief van Dr. B. Kobler de “Schweizerische Klub für Entlebucher Sennenhunde” opgericht en hiermee neemt ook de raszuiver fok en promotie van het ras een aanvang. Zoals blijkt uit het gering aantal inschrijvingen in het Zwitserse hondenstamboek (SHSB), ontwikkelt het ras zich maar langzaam.

De Entlebucher Sennenhund kreeg als ras een nieuwe impuls toen men tot de ontdekking kwam dat hij behalve een levendige en onvermoeibare drijfhond (aangeboren eigenschap), ook nog een uitstekende gebruikshond was.

Deze attractieve driekleurige hond heeft zijn liefhebbers gevonden en kan zich – ondanks een beperkt bestand – verheugen in een toenemende populariteit als familiehond.

ALGEMENE VERSCHIJNING: Net middelgrote, compact gebouwde hond van iets gesterkt formaat. Driekeurig zoals alle Sennenhonden, zeer beweeglijk en actief; opgewekte, schrandere en vriendelijke gelaatsuitdrukking.

BELANGRIJKE VERHOUDINGEN:

  • schofthoogte/lengte lichaam = 8 / 10
  • snuitlengte/lengte schedel = 9 / 10

GEDRAG EN KARAKTER:

Levendig, temperamentvol, zelfverzekerd en onbevreesd.

Tegenover bekenden goedmoedig en aanhankelijk; tegenover vreemden iets wat wantrouwend.

Onomkoopbare waker, opgewekt en leergierig.

HOOFD: in harmonische verhouding tot het lichaam, iets wigvormig, droog. De lengteas van snuit en schedel lopen min of meer parallel.

Schedelgedeelte:

Schedel:

  • Vrij vlak en relatief breed; grootste breedte tussen de ooraanzet en versmalt iets naar de snuit.
  • De achterhoofdsknobbel is nauwelijks zichtbaar.
  • De voorhoofdsgroeve weinig ontwikkeld.

Stop: weinig uitgesproken. 

AANGEZICHTSDEEL:

Neus: zwart, steekt lichtjes uit voor de afronding door de lippen.

Snuit: krachtig, goed gevormd, duidelijk onderscheiden van voorhoofd en kaken, versmalt geleidelijk maar wordt niet spits; iets korter dan de afstand tussen stop en achterhoofdsbeen. De neusrug is recht.

Lippen: weinig ontwikkeld, goed aansluitend bij de kaken en zwart gepigmenteerd.

Kaken / tanden: Een krachtig, volledig en regelmatig schaargebit. Tanggebit toegestaan. Ontbreken van 1 of 2 x PM1 is toegestaan. Afwezigheid van M3 is toegestaan.

Wangen: weinig ontwikkeld.

Ogen

  • Vrij klein en gerond, donkerbruin tot hazelnootbruin.
  • Levendige uitdrukking, vriendelijk en opmerkzaam.
  • De oogleden perfect aansluitend op de oogbol.
  • De rand van de oogleden zwart gepigmenteerd.

Oren:  

  • Niet te groot, hoog en relatief breed aangezet.
  • Stevig en goed ontwikkeld oorkraakbeen.
  • Afhangend, driehoekig van vorm en aan de punt mooi afgerond.
  • In rust vlak aanliggend, bij aandacht aan de aanzet iets opgetrokken en naar voren gericht.

HALS: Vrij kort en gedrongen, krachtig en droog. Loopt geleidelijk over in het lichaam.

LICHAAM: Krachtig, iets langgerekt.

Rug: Recht, stevig, breed, vrij lang.

Lendenen: Krachtig, soepel, niet te kort.

Kruis: iets afvallend, vrij lang.

Borst

  • Breed, diep, reikend tot de ellebogen
  • Uitgesproken voorborst.
  • Ribben matig gewelfd.
  • Ribbenkast langgerekt en rond – ovaal in doorsnede.

Onderlijn en buik: iets opgetrokken

STAART:

  • Natuurlijke staart aangezet in het verlengde van het licht afvallende kruis. Een zwevende of hangende      staart wordt nagestreefd
  • Korte staart van geboorte.

     Bij de keuring zijn natuurlijke en stompe staart gelijkwaardig.

LEDEMATEN:

Voorhand:

  • Krachtig maar niet te zwaar gespierd; niet te eng of te breed gesteld.
  • Voorbenen kort en fors, recht en parallel en goed onder het lichaam geplaatst.

Schouders:

  • Gespierd, schouderblad lang, schuin geplaatst en goed aansluitend.

Bovenarm:

  • Even lang of slechts iets korter dan het schouderblad
  • Hoek met het schouderblad ongeveer 110° - 120°

Ellebogen:

  • Goed aansluitend bij het lichaam.

Onderarm:

-     Relatief kort, recht, stevig bot, droog.

Middelvoet:

  • In vooraanzicht recht en in verlengde van de onderarm
  • In zijaanzicht een weinig hellend. Vrij kort.

ACHTERHAND: Stevig gespierd. Langs achter gezien niet te eng, recht en parallel.

Bovenbeen:

  • Vrij lang,
  • Vormt een vrij open hoek met het onderbeen.
  • Dijen breed en sterk.

Onderbeen:

  • Ongeveer even lang als het bovenbeen, droog.

Spronggewricht:

  • Krachtig, relatief laag aangezet, goed gehoekt.

Middelvoet:

  • vrij kort, robuust, loodrecht en evenwijdig geplaatst.
  • -Hubertusklauwen moeten verwijderd worden, behalve in de landen waar dit bij wet verboden is.

VOETEN

  • Goed gerond met gesloten en goed gewelfde tenen en recht naar voren gericht.
  • Nagels kort en sterk.
  • De voetzolen krachtig en taai.

GANGWERK / BEWEGING

  • Ruim uitgrijpend, vrij, vloeiende beweging en met krachtige stuwing vanuit de achterhand.
  • Zowel van voren als achteren gezien rechtlijnige beweging van de ledematen.

BEHARING

Aard:

  • Stockhaar (dubbele vacht)
  • Dekhaar kort, dicht aanliggend, hard en glanzend.
  • Dichte ondervacht.
  • Licht golvend haar op de schoft en/of rug toegelaten, maar is niet gewenst.

Kleur en aftekening:

  • typisch driekleurig
  • basiskleur zwart met “geel- tot roestbruine” tan aftekening die zo goed mogelijk symmetrisch moet zijn. De tan aftekeningen zijn geplaatst boven de ogen, op de wangen, de vang, de keel, de zijkanten van de borst en aan de vier voeten. Bij deze laatste ligt de tan tussen het zwart en het wit.
  • De witte aftekening:
    • goed zichtbare smalle witte bles die van de bovenschedel zonder onderbreking over de neusrug doorloopt en die de snuit volledig of gedeeltelijk kan omvatten.
    • Wit vanaf de kin, over de keel tot aan de borst.
    • Wit aan de vier voeten.
    • Bij een lange staart is een witte tip gewenst.

Ongewenst maar getolereerd: kleine witte nekvlek (niet groter dan een halve handpalm).

GROOTTE:  Reuen:             44 – 50 cm      getolereerd tot 52 cm

                   Teven:             42 – 48 cm      getolereerd tot 50 cm

FOUTEN: Alles wat afwijkt van de voorgaande punten moet als een fout beschouwd worden. De bestraffing van de fouten moet in verhouding zijn tot de graad van afwijking.

  • gebrek aan geslachtsgebonden kenmerken (teefachtige reu – reuachtige teef)
  • sterk afwijken van de verhoudingen
  • te zwaar of te fijn bot
  • onvoldoende gespierd
  • bolle schedel
  • te uitgesproken stop
  • te lange, te korte of te spitse snuit, ramsneus
  • licht ondervoorbijten
  • ontbreken van tanden buiten 2 x P1
  • ogen te licht, te diep ingezet of uitpuilende ogen
  • open ooglid
  • oren te laag aangezet, te klein en te spits, opstaand gedragen, vouwoor.
  • Te korte rug, zadel- of karperrug
  • Overbouwd of afvallend kruis
  • Borstkas spichtig of tonvormig, te weinig voorborst.
  • Knikstaart, over de rug gedragen staart
  • Voorhand te weinig gehoekt
  • Voorbenen uitgedraaid of krom
  • Polsen zwak of doorgezakt
  • Achterhand te weinig gehoekt, koehakkig, O-benig, eng in stand
  • Gestrekte tenen, spreidtenen
  • Beweging: korte pas, stram, kruisend, eng
  • Foutieve aftekening:
    • onderbroken bles
    • te grote witte nekvlek
    • wit boven de voetwortel (laars)
    • geen wit aan alle vier de voeten
    • doorlopende witte halsband (ernstige fout)
    • onderbroken wit aan de borst (ernstige fout)
    • voorbenen: ontbreken van tan tussen wit en zwart (ernstige fout)
    • afwezigheid van wit aan het hoofd = zwarte hoofd (zeer ernstige fout)
  • onzekerheid, gebrek aan levendigheid, lichte agressiviteit

UITSLUITINGSFOUTEN:

  • Angstige of agressieve hond
  • Alle honden die duidelijk fysieke of gedragsafwijkingen vertonen zullen uitgesloten worden
  • Bovenvoorbijten, uitgesproken ondervoorbijten, scheve mond
  • Entropion, ektropion
  • Gele roofvogelogen, glasoog, blauw oog
  • Ringstaart
  • Haar te lang, te zacht, ontbreken van dubbele vacht
  • Foutieve kleur: ontbreken van een van de drie kleuren, basiskleur anders dan zwart
  • Ondermaats, bovenmaats t.o.v. de tolerantie.

NB:

  • Reuen moeten over twee duidelijk normaal ontwikkelde teelballen beschikken, die zich volledig in het scrotum bevinden.
  • Voor de fok worden uitsluitend functioneel en klinisch gezonde, ras typische honden gebruikt.

 

Afdrukken E-mail

FaLang translation system by Faboba